Laat de Kunstenaar (M/V) zijn werk weer doen!

Laatste artikelen
6 reacties

De Schat van Dagobert

Toen ik vijftien jaar geleden in een geïnspireerde opwelling besloot te verhuizen naar de Franse Pyreneën had ik geen idee dat die stap me zou zetten op het spoor van de Schat van Dagobert.
Ik kocht een huisje aan de voet van de Montségur, de berg waar in 1244 de laatste groep Katharen zich tegen de inquisitie verzette. (Het Katharisme was een gnostieke beweging die eind twaalfde, begin dertiende eeuw in Zuid-Frankrijk zo succesvol was dat de Roomskatholieke paus Innocentius III in 1206 een kruistocht tegen de Klatharen uitriep. Na vele jaren van strijd, bloedbaden en vernietigde steden werd in 1244 de Montségur, de laatste vesting van de Katharen ingenomen en kwamen 220 Katharen op de brandstapel.)
Ik was gefascineerd door die Kathaarse geschiedenis en wilde me daar letterlijk en figuurlijk in verdiepen. Niet onbelangrijk detail: de 'Schat van de Katharen' was na de inname van het kasteel verdwenen en nooit teruggevonden. Niemand wist wat die schat inhield, maar ik had een vermoeden dat ik daar misschien wel achter zou gaan komen en op onnavolgbare wijze de schat zou gaan opgraven.

Niet ver van de Montségur lag het plaatsje Rennes-le-Chateau. Al snel kwam ik er achter dat daar volgens velen ook een schat begraven lag, nog veel groter dan de schat van de Katharen: de schat van Dagobert. Na de verschijning van het boek 'The Holy Blood en The Holy Grail' in 1982 dat helemaal ging over het mysterie van Rennes-le-Chateau, was er in dat plaatsje zelfs zoveel gegraven dat er overal in het dorpje borden stonden"'Verboden te graven' (Defense de fouiller). Ik wist nog van niks maar las het boek, en daarna nog vele andere boeken over het alsmaar uitdijende mysterie tot ik er hoofdpijn van kreeg en het onderwerp weer liet rusten.

Want wat had die vermeende schat van een zevende-eeuwse koning nou eigenlijk met mij en met het eind van het tweede millenium te maken? Ik besloot me te concentreren op de Kathaarse schat die – op basis van een aantal tamelijk vage maar voor mij toen opwinding wekkende aanwijzingen – wel eens in mijn tuin of zelfs onder mijn huis zou kunnen liggen. Want inderdaad, geef ik nu besmuikt toe, heb ik in die periode heel wat graafwerk op mijn terrein en onder mijn huis verricht. Het bezorgde me een goede conditie en een klein wijnkeldertje onder mijn woonkamer, maar vinden deed ik verder niets.
Tags: Niet getagged
4 reacties

Na 1333 jaar wordt Koning Dagobert II weer wakker

In de razendsnelle tijd waarin we nu leven doet het verleden er steeds minder toe. Gisteren is oud nieuws, vorige week is achterhaald en vorige maand al lang vergeten. Zo leren we met z'n allen steeds meer in het NU te leven, dat is waar.

Maar als je het verleden loslaat, waar bouw je dan op voort? Wat is dan het fundament nog waar je op steunt?

Wie jij nu bent, is het resultaat van alles wat vooraf ging. En als je je verleden niet verwerkt, haalt het je in. Ben je gedoemd het te herhalen, zoals dat beroemde gezegde luidt.

Als het gaat om onze individuele geschiedenis, weten we dat inmiddels wel. Als je in je leven vastloopt ga je in therapie, en daarin ga je kijken naar stukken uit je verleden die je weggestopt had: vergeten, ontkend. Je haalt die blinde vlekken weer boven water, ervaart de gevoelens die je toen niet kon, wilde of durfde te ervaren nu alsnog, en je kunt weer verder. Gelukkig is dat voor veel mensen geaccepteerde realiteit, en is 'in therapie gaan' niet meer iets om je voor te schamen.
Ik ben zelf ook in therapie geweest – ben het soms nog – en het heeft me enorm goed gedaan.

Maar als het gaat om onze collectieve geschiedenis, is er nog veel verdringing en ontkenning. Soms is dat omdat het allemaal nog te pijnlijk is: de passieve opstelling bij de jodenvervolging in de tweede wereldoorlog, de politionele acties in Indonesië, Srebenica.
Maar soms – en daar wil ik het nu verder over hebben – omdat het allemaal al te lang geleden is, en we het simpelweg niet meer weten.

Het tijdperk waar ik het de komende tijd in deze blog over wil hebben staat ook wel bekend als 'De Duistere Middeleeuwen'. Grofweg gezegd: de tijd tussen de Romeinen en Karel de Grote, het tijdperk van de vijfde tot de negende eeuw. In
410 plunderen de Visigothen Rome en is 'de eeuwige stad' voor het eerst in zeven eeuwen weer in handen van de barbaren. In 800 wordt Karel de Grote tot keizer gekroond.

Natuurlijk weet de historische wetenschap heel wat over die tussenliggende vier eeuwen. Dat wil ik niet bestrijden, integendeel: ik zal me er graag bij aansluiten. Maar er is ook iets wat de reguliere geschiedschrijving niet weet, niet wil weten of niet kan weten. Wat is dat dan?

Het is een verhaal dat in de loop der eeuwen naar ons collectieve onderbewuste is gezakt. Daar is het bewaard gebleven, en af en toe kwam vanuit die diepte een flard omhoog drijven die door een geinspireerde kunstenaar werd opgevangen en in een vorm werd uitgedrukt. Bijvoorbeeld in een stripverhaal of in een sprookje. Flarden waren er dus wel, maar het verhaal in zijn geheel bleef verborgen omdat de tijd nog niet rijp was.

Nu, anno 2013, is de tijd wel rijp. In onze collectieve geschiedenis zijn we ver genoeg gevorderd om een moeilijk, beschamend en verwarrend stuk uit ons verleden onder ogen te zien. Ons collectieve bewustzijn is ruim genoeg geworden om de vele draden en verbanden van dit verhaal te kunnen bevatten, en de noodzaak om deze blinde vlek bewust te maken is dringend genoeg geworden.

Het verhaal waar ik op doel is het verhaal van Koning Dagobert II, de laatste werkelijk regerende Merovingische koning (650-679). Op 23 december 679 werd hij bij een bron in de Franse Ardennen vermoord. Nu, 1333 jaar later, zal het ons helpen als zijn verhaal opnieuw verteld wordt, als tenminste daarmee ook alle samenhangen waar zijn levensverhaal aan raakt, over het voetlicht komen.

Geinspireerde kunstenaars die in het verleden al iets met dit verhaal hebben gedaan zijn bijvoorbeeld Walt Disney, die zijn Oom Dagobert een volgeladen geldpakhuis meegaf, waarop de Zware Jongens het in vele verhalen gemunt hadden. De Merovingische Koning Dagobert II had ook een schat – die nog steeds niet gevonden is – en de Zware Jongens van zijn tijd waren de Karolingers die met harde hand een eind maakten aan de traditie van het Heilig Koningschap.
Ook de gebroeders Grimm waren geïnspireerde kunstenaars die een flard van het Dagobertverhaal oppikten en het in de vorm goten van het sprookje 'IJzeren Hans', ook wel bekend als 'De Wildeman'.
De Amerikaanse dichter Robert Bly was helder en ontvankelijk genoeg om in de jaren negentig van de vorige eeuw te zien waar dit sprookje in werkelijkheid om ging: om veranderende beelden van mannelijke identiteit. Hij schreef er het prachtige boek 'De Wildeman' over. Hij had het weliswaar niet over Dagobert. Dat puzzelstukje viel pas later op zijn plek, toen Ton van der Kroon en ik na jaren werken met het Wildemanverhaal beseften dat Dagobert II en De Wildeman één en dezelfde figuur zijn.

Ik ben zelf nu een paar jaar bezig met het Dagobertverhaal. Ik schreef er summier over in mijn boek Koopman Dominee Kunstenaar uit 2011. Ik weet nog steeds niet goed wat ik met die figuur aan moet, maar hij laat mij niet los.
Nu besluit ik dan toch maar dit verhaal op mijn eigen manier naar buiten te brengen, via deze blog. Op een dieper niveau gaat dit verhaal over precies hetzelfde als mijn boek over de Nederlandse identiteit en geschiedenis. Maar tegelijkertijd gaat het over méér: het gaat bijvoorbeeld ook over Europa. En over de Christelijke godsdienst die al eeuwen lang zijn verbinding met het Christusbewustzijn kwijt is. En over een diepere verbinding met de planeet Aarde, die dringend aan de orde is. En over een gezonder evenwicht tussen mannelijke en vrouwelijke kwaliteiten.

Het gaat dus over heel veel, en tegelijkertijd is de focus ook weer heel beperkt. Want uiteindelijk gaat het allemaal over mij.

Wordt vervolgd...
Tags: Niet getagged
1 reactie

Koopman en dominee in kabinet

Het gaat fantastisch. Nederland is op de goede weg. Voor het eerst sinds de Gouden Eeuw trekken ‘Koopman’ en ‘Dominee’ weer samen op: VVD en PvdA vormen één regering.

Natuurlijk zaten de liberalen en de socialisten wel eerder in een kabinet, maar dan waren er altijd anderen bij. In het eerste kabinet na WO II (Schermerhorn-Drees) gingen de progressief-liberalen van de Vrijzinnig Democratische Bond samen met de SDAP van Drees, inclusief de christelijke partijen KVP en ARP. In de kabinetten Drees (1948-1958) gingen de PvdA en de VVD samen, maar opnieuw met christelijke partijen: KVP en CHU.

Vervolgens duurde het tot de Paarse kabinetten onder Wim Kok (1994-2002) dat socialisten en liberalen elkaar weer vonden en nu was D’66 de Dritte im Bunde. Maar nu krijgen we voor het eerst in de vaderlandse geschiedenis een kabinet van VVD en PvdA, zonder derde partij erbij. Dat is een grote stap omdat nu iets kan gebeuren wat eerder niet kon: de koopman van de VVD en de dominee van de PvdA zullen het samen moeten doen, zonder de uitwijkmogelijkheid van een derde partner die de scherpe kantjes van de tegenstellingen bijvijlt maar daarmee ook de kracht van het verschil aantast.

Koopman en dominee kijken nu eenmaal op heel verschillende wijze naar de wereld. Voor de koopman telt uiteindelijk alleen wat tastbaar, meetbaar en op geld waardeerbaar is. Hij gelooft in de vrijheid waarmee de burger voor zichzelf zorgt, en de vrijheid waarmee de markt de snelste en de slimste spelers beloont. De staat is een noodzakelijk kwaad: hoe kleiner, hoe beter.
Voor de dominee gaat het juist om de Hogere Doelen. De schepping is nog lang niet af: daar moet flink aan worden gesleuteld, geduwd en getrokken. Aldus de dominee van de ‘linkse kerk’, die zijn God niet meer vindt in de hemel, maar in de sociale rechtvaardigheid op aarde. Hij gelooft in de gelijkheid van de burger, en als daarvoor ongelijkheid in afkomst en kansen moet worden bijgestuurd: prima! De staat is daarvoor een mooi instrument.  
Als ze ruzie met elkaar hebben, vindt de dominee de koopman maar een egoïstische zakkenvuller. En doet de koopman de dominee af als een moralistische zedenpreker.

Toch kunnen ze het eeuwenlang al goed met elkaar vinden. Ook al staan hun wereldbeelden haaks op elkaar, samen beschikken ze over een weerbarstig soort kracht waarmee in de 16e en 17e eeuw de tachtigjarige oorlog werd gewonnen, en de Verenigde Nederlanden als republiek een plaatsje op het wereldtoneel veroverden. De koopman kwam in opstand tegen de Spaanse bezetter omdat er teveel belasting moest worden betaald. De dominee viel hem bij omdat de geloofsvrijheid voor de protestantse kerk hem heilig was. Ieder voor zich had zo’n lange oorlog nooit kunnen winnen, maar samen waren ze een onverzettelijke vijand. De koopman met zijn praktische en pragmatische aard en scherp oog voor slimme innovaties, de calvinistische dominee met zijn vurig en onverzettelijk geloof, dat de basis bood voor een vastberaden strijdlust tégen het kwade en vóór het goede.

De onafhankelijkheid die in 1648 uiteindelijk officieel werd, leidde tot een ongekende bloeitijd die al voor 1600 begon en waarbij naast de koopman en de dominee een derde Nederlandse figuur zijn rol begon te spelen: de kunstenaar. Niet alleen de kunstenaar in beperkte zin (de schilder, de beeldhouwer, de dichter) maar veel breder: in het Nederland van de zeventiende eeuw was iedereen ook kunstenaar. De VOC-kapitein die niet alleen door winst maar ook door nieuwsgierigheid gedreven werd, een militair als prins Maurits die bij de Romeinen te rade ging om de krijgkunst naar een hoger plan te tillen, een politicus als Johan van Oldebarnebeldt die als eerste de kunst van het polderen in de vingers kreeg, de ambachtsman die behalve vakman ook kunstenaar was, of het nou om meubels, serviesgoed, gevels, glazen of kaarten ging. En ook de wetenschapper was een kunstenaar die tal van nieuwe vondsten deed in de filosofie, astronomie, botanie, optica en statistiek.

De zeventiende eeuw was een bloeitijd omdat koopman, dominee én kunstenaar voor het eerst samen optrokken. Dat we nu een regering krijgen met alleen VVD en PvdA wil zeggen dat Nederland opnieuw toe is aan een bloeitijd. Als het de koopman en de dominee lukt om samen te werken, kan het niet anders dan dat ze allebei een beroep doen op hun innerlijke kunstenaar. Want ‘kunstenaar’ is niet iets dat je kunt organiseren, bijvoorbeeld in een politieke partij. De ‘kunstenaar’ zit van binnen. Het is het vermogen om de werkelijkheid waar te nemen zoals die is, en niet zoals je hem graag zou zien. Het is de kunst om uit te stijgen boven je eigen deelbelang en te zien wat ‘het geheel’ nodig heeft. Het is de kunstenaar en kunstenares die voor de volwassenheid zorgt in al die koopmannen en dominee’s die vaak behoorlijk kinderachtig zijn.

Rutte geeft les op het VMBO, Samsom werkte als straatcoach. Niet uit berekening, maar uit werkelijk gevoelde betrokkenheid. Daarmee konden ze hun eigen primaire identificatie overstijgen. En dat hebben ze gedaan ook: Mark Rutte groeide van handig debatterende corpsstudent uit tot gerespecteerd premier. Diederik Samsom evolueerde van betweterige socialist tot progressief voor alle gezindten. De koopman en de dominee hebben er een kwaliteit bij gekregen: broederschap. Die kunstenaarskwaliteit is nodig om de spanning tussen ‘vrijheid’ en ‘gelijkheid’ vruchtbaar te kunnen maken. ‘Koopman’ en ‘Dominee’ zullen altijd blijven botsen, maar ‘Koopman-Kunstenaar’ en ‘Dominee-Kunstenaar’, dat gaat een stuk beter. Als we ook als land de komende jaren deze stap kunnen maken, zijn de mogelijkheden onbegrensd. Nederland, maak u op voor een nieuwe Gouden Eeuw!

Tags: Niet getagged
0 reacties

Werken met vers hout, dat ga ik vaker doen





Op een zonnige plek in het bos van landgoed Midgard in Almen zitten we met z'n vijven bij elkaar zoals onze voorouders dat duizenden jaren geleden ook al deden. Op een boomstammetje dat straks de zitting voor een eigengemaakte kruk zal leveren, luister ik naar Job Suijker en Sjors van der Meer, die mij vandaag gaan inwijden in de geheimen van het werken met vers hout.
Echt geheim is het overigens niet, want het gaat om technieken die eeuwenlang gemeengoed waren. Maar sinds wij onszelf hebben aangesloten op het stopcontact, zijn we afgesneden geraakt van deze oervaardigheden. Daarmee past deze workshop vers hout van Job en Sjors in een veel bredere beweging van het herontdekken van onze verbinding met aarde en natuur.

Job vertelt een verhaal over contact maken met het materiaal, en dat zal deze dag een leidraad zijn: liefde voor het hout en het gereedschap waar we mee werken is de basis waar alle technieken op rusten.
Ik ga vandaag een krukje maken, en leer daarbij al snel dat het daarbij niet alleen om de techniek gaat. Want zoals altijd als ik werk, heb ik haast. Maar als je met een Japanse trekzaag een plak van een boomstam af staat te zagen is haastige spoed helemaal niet goed. Daar krijg je maar kramp van, en bovendien zaag je scheef. Je kunt veel beter zorgen dat je ontspannen staat, voeten stevig op de grond, en dan de zaag het werk maar laten doen. Ritmisch trek ik de zaag op en neer, terwijl het sonore geluid van de minuscule beiteltjes in het zaagblad me bij elke haal dieper in de stam brengt. Ik begin warempel van het zagen zelf te genieten. Een hele andere ervaring dan het gebruikelijke krampachtige op en neer duwen om maar zo snel mogelijk klaar te zijn, met een zere schouder en een scheve zaaglijn als resultaat. Even later heb ik een prachtige gladde plak hout in mijn hand. Geboeid kijk ik naar het oppervlak met zijn jaarringen en twee kleine knoesten. Levend materiaal.

Sjors helpt me vervolgens met het splijten van een berkestammetje: dat worden de poten. Op het schaafpaard – en soort werkbank waar je schrijlings op zit en je werkstuk met de voeten vastklemt – ga ik aan de poten pennen slijpen. Met het haalmes in beide handen schil ik steeds een stukje van het hout af. Kost nauwelijks kracht, maar vergt wel aandacht. Ik ben helemaal bij het hout, soms zelfs ín het hout. En als die aandacht verslapt, merk je dat meteen. Oeps, scheef gesneden. Maar fouten maken is niet erg, benadrukken Job en Sjors, want zo leer je het. Regelmatig klinkt dan ook luidkeels 'Leerervaring!' uit de mond van een van de deelnemers, en snel gaan we allemaal kijken wat er nu weer voor leerzame fout gemaakt is.

Geleidelijk aan begin ik te merken dat dit een andere manier van werken is dan ik tijdens mijn klusjes thuis gewend ben. Dan is mijn aandacht er altijd vooral op gericht om de klus zo snel mogelijk geklaard te hebben, hier merk ik dat er een rust over me komt waarin ik van het werk zelf geniet. 'Als ik nou mijn dagelijks werk ook eens zo zou kunnen doen', schiet door me heen. Maar de haast blijft trekken. Als we tussen de middag rond een vuurtje soep en boterhammen eten, wil ik eigenlijk al weer verder gaan zodra ik de laatste hap heb doorgeslikt. Sjors kijkt me glimlachend aan: 'We hebben toch geen haast?' O nee. Ik ga weer zitten en ontspan.

's Middags werken we allemaal verder aan onze kruk, hamer of gereedschapssteel, en er is inmiddels een gemoedelijke sfeer onstaan waarvan ik me voorstel dat onze voorouders ook zo samen werkten. Af en toe een opmerking, een grapje, een tip, en dan weer de rust van vijf mannen (vrouwen zijn overigens ook welkom!) die allemaal aandachtig met hun werk bezig zijn. Met de avegaar boor ik drie gaten in de schijf, en daarna komt een extra mooi moment: met een houten hamer sla ik de drie berkenhouten poten in de eikenhouten zitting. Het past, en mijn kruk is klaar. Voorzichtig ga ik er op zitten. Nog nooit zat een kruk zo lekker.

De dagen erna kijk ik regelmatig met trotse tevredenheid naar de kruk die bij ons in de kamer staat. Het hout is aan het drogen en in de zitting ontstaat een prachtig patroon van barstjes die vanuit de kern uitwaaieren. Over een maand mag ik de wigjes die Sjors me meegaf in de poten slaan. Ik kan niet wachten. Jawel, ik kan wel wachten. Wachten is fijn.

Werken met vers hout. Dat ga ik vaker doen.
Jan Roelofs, 25 mei 2012

meer info:www.green-wood-man.nl
www.HarteGroen.wordpress.com 
Tags: Niet getagged
0 reacties

De Wondere Wegen van Gilgamesj

Vorig weekend begeleidde ik samen met Ton van der Kroon een driedaagse mannenworkshop in de Belgische Ardennen. Ik schreef er onderstaand artikel over.  

Op de heenreis moet ik even voorbij Neufchateau plassen en we stoppen bij een soldatenkerkhof uit de eerste wereldoorlog. Zo'n 600 Franse en Duitse soldaten liggen er samen begraven. De Duitsers onder een dikke granieten steen, de Fransen onder een crème-kleurig kruis dat er van een afstand als plastic uitziet. Maar elke Fransman heeft zijn eigen kruis, terwijl de Duitsers met z'n tweeën, en hier en daar zelfs met z'n drieën of vieren onder een steen liggen. Dat dan weer wel.
Ton en ik zitten een tijdje tussen de kruizen en beseffen dat ook in de komende driedaagse mannenworkshop de dood weer aanwezig zal zijn. Het is nu het tiende jaar dat we in het OostWestCentrum vlakbij het Zuidbelgische Orval deze driedaagse 'Het Pad van de Man' begeleiden. Twee keer per jaar werken we met een groep van 20 à 30 Nederlandse en Belgische mannen drie dagen lang aan de hand van een mythologisch verhaal. Deze keer hebben we een van de alleroudste mythologische verhalen gekozen: het Sumerische Gilgamesj-epos, dat 4.000 jaar geleden voor het eerst werd opgeschreven, en waarschijnlijk al veel langer werd verteld. Elke keer weer staan we verbluft hoe de mythologische laag, de persoonlijke verhalen en het groepsproces op elkaar in werken. Maar iedere keer ben ik ook weer zenuwachtig: gaat het deze keer wel werken? Terwijl ik aan de andere kant van de weg mijn blaas leeg kijk ik naar de nog kale berkebomen en denk drie dagen verder: dan komen we hier weer langs, zijn misschien de eerste blaadjes opengegaan en is het allemaal weer achter de rug. De angst die ik voel is vooral de angst voor het onbekende. En voor de dood. En voor fouten maken. En voor andere mannen. En voor dat wat ik in mezelf liever niet zie.

Als we met onze vijf assistenten in de zaal zitten waar we 's avonds met de groep aan de slag zullen gaan, vraagt Hein of ik er zin in heb. 'Nee', zeg ik. Ik heb er helemaal geen zin in, voel me bang vanwege allerlei bekende redenen, maar er is ook een onbestemd gevoel van vrees dat ik niet kan plaatsen. Alsof ons iets boven het hoofd hangt. We hebben het er met z'n zevenen over en dat ontspant een beetje.
Tags: Niet getagged
Copyright © 2015 Woordenziel.nl | Webdesign: berthil.nl