Laat de Kunstenaar (M/V) zijn werk weer doen!

Hoezo mannenwerk?


Mannen zijn geen vrouwen. Dat mag een open deur lijken, maar op veel plekken in onze samenleving wordt gedaan alsof het tegenovergestelde waar is: essentiële verschillen tussen mannen en vrouwen worden genegeerd, ontkend of bestreden. Sinds de emancipatiegolf van de jaren zeventig staan aspecten van traditionele mannelijkheid (directheid, agressie, daadkracht) in een kwade reuk. In reactie op (vaak terechte) kritiek van vrouwen schrikt ook de man zelf terug van alles wat naar ’daderschap‘ riekt. Het resultaat: een sterk feminiene cultuur waarin autonomie, initiatiefkracht, verantwoordelijkheidsgevoel en positieve agressie ten onder gaan in het moeras van de Nederlandse polder.

Als babyboomer, geboren in 1954, ben ik opgegroeid met de ‘Opzij’. Ach, de Opzij van de jaren zeventig, wat een geweldig blad was dat. Ik was 15, was als puber met veel getob en verrwarring bezig man te worden en kon in de Opzij elke maand lezen wat er aan mannen allemaal niet deugde. Mijn twee oudere zussen en mijn moeder lazen naast de Libelle de Opzij, terwijl mijn vader probeerde op zijn werk het hoofd boven water te houden. Ik kan wel zeggen dat het blad Opzij mijn tienerjaren grondig verpest heeft. Ik wist dat ‘man zijn’ mijn lot was, maar ik las ik elke keer in de Opzij weer wat voor nare mensen dat waren, mannen. Egocentrisch, onderdrukkend, gewelddadig, afgesloten, bot, dom, emotioneel onderontwikkeld, gevoelloos.

Vrouwvriendelijk
Er groeide in mij een groot verlangen anders te zijn. Vrouwvriendelijk, vol begrip, aardig, niet dominant maar inschikkelijk, geen haantje dat zijn pik achterna liep, maar zachtaardig, goedmoedig. Blijkbaar was dat de manier om bij de vrouwen in de smaak te vallen. En het was waar; mijn vader kon vreselijk lelijk doen tegen mijn moeder. Bij de afwas deed ze bij mij over hem haar beklag. Ik knikte vol begrip en besloot dat ik anders zou zijn.

Waar was pa ondertussen? Op kantoor. Hij had wel wat anders aan zijn hoofd dan de crisis van de mannelijke identiteit waar zijn puberzoon middenin zat. Ik was 15 en beschouwde mannen als tweederangswezens, en was tegelijkertijd zelf bezig man te worden. Nog niet heel nadrukkelijk overigens, ik benijdde een vriendje dat zich op die leeftijd al moest scheren, bij mij zou dat nog jaren duren, maar toch: man-zijn was mijn toekomst. Maar hoe moest dat, man zijn? Hoe deed je dat als agressie slecht was, dominantie uit den boze, wat bleef er dan nog over?

Ik loste het op op de manier die veel mannen zullen herkennen: verdringing en aanpassing. De binnenwereld met al die verwarrende, tegenstrijdige emoties ging op slot, en ik hield me voortaan vast aan de buitenwereld. Dat ging een hele tijd lang goed, dat dacht ik tenminste. Tot ik ergens in de tachtiger jaren met mezelf in de knoop raakte. Ik weet nog goed op welk moment ik besefte dat er iets niet in orde was. Ik zat in het ziekenhuis aan het bed van mijn moeder, die een nieuwe heup had gekregen maar dat was niet goed gegaan en ze had vreselijk veel pijn. Ik zat daar aan haar bed, en besefte dat ik dat natuurlijk heel erg zou moeten vinden, maar het liet me siberisch. Ik deed wel alsof, maar van binnen merkte ik dat het me volkomen koud liet.

Een paar weken later zal ik voor het eerst bij een therapeut, en de rest laat zich raden. Sessies, trainingen, workshops, allerlei boeken, bladen, dwaze doodlopende wegen, pijn van vroeger alsnog gevoeld, boos op moeder, boos op vader, boos op God, boos op mezelf, de weg naar binnen. Met alles er op en er aan. Veel weerstand uiteraard, soms zoveel dat ik dacht ‘ik stop er mee, ik ga weer gewoon aan mijn carrière werken en verder niks’, maar of het nou kwam doordat het met die carriere niet zo wilde vlotten of doordat mijn ziel andere plannen had, ik ging door op het pad van persoonlijke groei, bewustzijnsverruiming en ook, heel voorzichtig, spiritualiteit.

Wildemanworkshop
Op dat pad belandde ik in 1992 in een zogenaamde mannenworkshop. Ik had net het boek van Robert Bly gelezen, ‘De Wildeman’, waar iets in stond dat me erg trof. Als Bly een avond sprak voor een zaal, zag hij daar allemaal hele aardige, vrouwvriendelijke mannen. Maar waar was de kracht, waar was het vuur? Waar was de vitale, daadkrachtige, zo nodig agressieve mannelijkheid? Bly koppelde dat aan schaamte die je af doet sluiten van een deel van jezelf. Dat herkende ik maar al te goed. Ene Ton van der Kroon was in Amerika geweest, had daar ook contact gehad met Robert Bly, en gaf nu in Nederland een ‘Wildemanworkshop.’ Daar moest ik meer van weten.

En zo zat ik op een vrijdagavond in een oud boerderijtje bij Lunteren met twaalf andere mannen bij elkaar. Van de zenuwen kon ik geen hap door mijn keel krijgen: een heel weekend met mannen, jasses. Waar was ik nou weer aan begonnen? Op zaterdag deden we een oefening rond het missen van je vader, en de steun die je daarbij van andere mannen kon krijgen. Voor het eerst in jaren kon ik voelen hoezeer ik mijn vader als 12-, 13-jarig jongetje gemist heb. De eenzaamheid, de wanhoop, de verwarring, het gevoel dat ik iets helemaal verkeerd deed al wist ik niet wat, het verdriet dat ik niet durfde te laten zien, ook aan mezelf niet, de angst, de wanhopige flinkheid, al dat verdriet kwam naar buiten in een enorme huilbui, waarbij ik gesteund en getroost werd door een andere man.

Mijn vader
Mijn vader was een gevoelige man en had op veel terreinen van zijn leven weinig zelfvertrouwen. ‘Je vader heeft een minderwaardigheidscomplex’, kon mijn moeder met een minachtende klank in haar stem zeggen. Maar in huis was híj de baas. Ik zie hem nog met roodaangelopen hoofd schreeuwend in de deuropening staan. De rest van het gezin - mijn moeder, mijn twee oudere zusters en ik - zat als bange vogeltjes ineengedoken op de bank, naar de grond kijkend te wachten tot deze storm weer was overgewaaid. Was de wind eenmaal weer gaan liggen, dan werd er achteraf ook geen woord meer over gezegd. Iedereen deed alsof er niets gebeurd was, maar onderhuids was de angst voor een nieuwe uitbarsting permanent voelbaar. Ik stond ik zonder enige twijfel aan de kant van mijn moeder, maar ik voelde me verscheurd en trok me terug in mijn eigen wereld. Ik probeerde er geen last van te hebben maar ontwikkelde vanaf mijn puberteit een sterke aversie tegen mijn vader. Toen ik tegen de twintig liep was het zo erg geworden dat moeder een soort heilige voor me was en dat ik alleen op een hele geforceerde manier nog contact met vader kon hebben. Hij deed soms moeite om me te bereiken, maar ik had de deur al lang op slot gedaan.

Een schrijnende herinnering: ik zit televisie te kijken, het is ‘s avonds laat en voordat hij naar bed gaat doet mijn vader nog een poging contact met zijn zoon te maken. Hij staat in de kamer, kijkt net als ik naar de tv en zegt iets tegen mij. Ik weet niet meer wat, maar het kan heel goed een vraag geweest zijn als ‘heb je een goede dag gehad, vandaag?’ Mijn antwoord beperkt zich tot ‘Hmm..’ en ik blijf strak naar de tv kijken.
‘Ging het goed op school?
’Ja hoor’.
Stilte. 
Mijn vader draait wat heen en weer.
‘Waar kijk je naar? 
‘Ooooh, niks bijzonders...
’Stilte‘
Nou....ik ga maar eens naar bed
‘Hm.’
Welterusten jongen.
‘ Slaap lekker’.
Mijn vader loopt, zijn keel schrapend de kamer uit, en ik voel de spanning uit me wegvloeien.

Met die golf van pijn en verdriet in mijn eerste mannenworkshop komt ook iets anders vrij. Voor het eerst in vele jaren kan ik weer voelen dat ik ook van mijn vader hield. Ik schrijf hem dat in een brief, we raken weer aan de praat, en de laatste jaren van het leven van mijn vader hebben we een goede, open relatie met elkaar. Ik kan hem aanvaarden zoals hij is. In 2005 overlijdt hij op 84-jarige leeftijd. Bij de begrafenis kan ik hem bedanken, en loslaten. 

Eigenheid van ‘de man’ 
Inmiddels geven Ton en ik samen al weer een aantal jaren mannenworkshops, en de pijn van de vaderwond speelt nog steeds een belangrijke rol. Elke keer beseffen we weer hoe belangrijk dit werk eigenlijk is; we zien mannenlevens ingrijpend en ten goede veranderen. Toch is het maar een relatief kleine groep mannen die de moed opbrengt zich in zo’n mannenworkshop te storten. Vaak zijn het mannen die al vaker zoiets gedaan hebben. Hoe bereiken we al die andere mannen? Want het onderwerp gaat niet weg. Het vraagstuk van de mannelijke identiteit heeft meer reflectie en bewustzijn nodig dan nu in het publieke debat voorhanden is. In de publieke sfeer (politiek, media, betaald werk) heerst de misvatting dat er geen wezenlijke verschillen tussen mannen en vrouwen zijn en dat je dus ook niet over de eigenheid van ‘de vrouw’ of van ‘de man’ hoeft na te denken. Voor vrouwen heeft dat het gevolg dat ze net als de man de arbeidsmarkt op moeten, ook al zijn ze moeder van kleine kinderen. Voor mannen leidt het tot een gebrekkig zelfinzicht dat zich met name uitdrukt in verwarring over de eigen kracht en kwetsbaarheid. Door gebrek aan bewustzijn komt de man in de greep van een splitsing: ofwel ‘kracht is gevaarlijk’, ofwel ‘kwetsbaarheid is taboe’. Vaak heerst in het openbare domein het ene deel van de splitsing, terwijl in de privé sfeer het andere deel van de splitsing de ruimte krijgt. Op het werk staat de man zijn mannetje, thuis is hij emotioneel een kind dat door moeder de vrouw ontzien en verzorgd moet worden. De splitsing heeft bij de man vernietigende gevolgen, waar zowel man als vrouw als kind last van hebben: kracht verwordt tot macht, kwetsbaarheid tot slapte.

Mannenwerk is meer dan ooit aan de orde. Trots zijn op je mannelijke kracht, en die helemaal kunnen toelaten en uitdrukken, welke man wil dat niet? En welke vrouw wil daar niet van genieten?
spacer.jpg
Copyright © 2015 Woordenziel.nl | Webdesign: berthil.nl